Foto uit de documentaire Tuan Papa Verlovingsfoto van Jack en Els
Foto uit de documentaire Tuan Papa Verlovingsfoto van Jack en Els
Natasja van Loon
Natasja van Loon • 17 aug 2015

Erken ons

Follow-up op Kinderen van de overheerser

De Indonesische onafhankelijkheid is vandaag zeventig jaar oud. Mijn essay over die periode en de bevolkingsgroep die ontstond uit de relatie tussen onderdrukkers en onderdrukten, riep sinds plaatsing afgelopen zaterdag zo veel reacties op, dat ik besloot om er een follow-up aan te wijden. Want er wordt over zó veel nog gezwegen. Eén verhaal dat ik bijvoorbeeld nog niet kende, was dat van de wezen van Indië…

In ‘Kinderen van de overheerser’ stelde ik dat elke Indo uiteindelijk een kind is van een inlander en een koloniale overheerser. Een Indo is altijd halfbloed en ik ken geen andere koloniale macht die zijn bastaardkinderen als machtsmiddel tegen de lokale bevolking heeft ingezet. Mestiezen en mulatten behoorden altijd alleen tot de onderdrukten, en ook in haar andere kolonie Suriname heeft Nederland die tactiek niet ingezet. De Indische Nederlanders, die tegelijk onderdrukte en onderdrukker waren, zijn uniek voor Indië. Dat wil evenwel niet zeggen dat seksuele relaties tussen Nederlandse kolonisten en inlanders geoorloofd waren. Een huwelijk tussen witte Hollanders en inheemse vrouwen was streng verboden. Kinderen uit zulke verbintenissen werden als onwettig beschouwd en zonder omhaal bij hun inheemse moeders weggehaald als er iets met hun vader gebeurde.

Het dichtstbijzijnde verhaal over deze ‘wezen’ van Indië kwam van één van mijn beste vriendinnen. Het is het verhaal van haar oom. Zijn vader was zo’n Hollandse man die verliefd werd op een inheemse vrouw. Toen hij voor zijn inlandse echtgenote koos, werd hij door zijn baas ontslagen. Hij stierf vlak na de oorlog, in de Bersiap, vermoedde mijn vriendin. Net als ik is ze van de derde generatie, dus net als ik groeide ze op met het zwijgen van de ouderen. Al wat mijn vriendin weet is dat na de dood van haar oudoom zijn kinderen bij hun moeder werden weggehaald. Ze waren nu immers wees. Als hun moeder bij het weeshuis smeekte om haar kinderen te zien, werd ze weggestuurd met het excuus dat ze op vakantie waren. Tegen haar kinderen werd gezegd dat hun moeder ze niet meer wilde. Ze hebben elkaar nooit meer gezien.

Door het verhaal van mijn vriendin realiseerde ik me dat ik zelf niks wist over hoe de Bersiap – de periode tussen 1945 en 1949 waarin Nederland de politionele acties uitvoerde en Indo’s een bedreigde, vernederde bevolkingsgroep waren – mijn eigen familie heeft getroffen. Op het verhaal van de geboorte van mijn opa na begint hun geschiedenis bij de repatriëring. Ik weet dat ik er mijn vader naar moet vragen, eigenlijk al lang, maar tot nu toe heb ik het uitgesteld, omdat het lange zwijgen van de vorige generaties best intimiderend is. Mijn vader verslindt boeken over de Indische geschiedenis, maar het woord Bersiap heeft hij zelfs nog nooit in de mond genomen. De familie van mijn vriendin heeft daarentegen een politierapport met de getuigenis van haar grootopa, die in de gevangenis zat terwijl buiten op de binnenplaats meneer Van Dort gefusilleerd werd. De vader van Wieteke van Dort, inderdaad: de Tante Lien waar mijn familie elke zondag naar keek. Elke Indische familie heeft zijn eigen verzwegen verhaal.  

Gebruikt en afgewezen

Nog geen paar uur nadat mijn vriendin het verhaal van haar oom vertelde, ontving ik via een ander kanaal het artikel van Wilma van der Maten over de wezen van Indië. In ‘De kinderen die Nederland niet wilde helpen’ interviewt Van der Maten de inmiddels hoogbejaarde wezen van toen. Het zijn verschrikkelijke verhalen. Kinderen die na de dood van hun blanke vaders gelukkig opgroeiden in de kampong werden als een bedreiging voor de koloniale staat gezien, schrijft Van der Maten. ‘“Het leven in de kampong kwam de loyaliteit van de kinderen aan het Hollandse gezag niet ten goede. Daar moest snel een einde aan komen,” zo redeneerde gouverneur-generaal maarschalk Herman Daendels destijds. In het weeshuis kregen ze een strenge, nationalistische opvoeding en een beroepsopleiding. Het was in het belang van het kind, zo vond het koloniale bestuur.’

Eén van de geïnterviewden vertelt over zuster Betteke, een blonde verpleegkundige die op haar fiets de kampongs afstruinde, op zoek naar blanke kinderen. ‘Als ze een peuter zag, zette ze het jengelende kind op haar bagagedrager en reed er onbewogen mee naar het weeshuis. De moeders, vaak helemaal in paniek, wisten niet eens waar hun kinderen waren gebleven.’ Maar zodra de oorlog uitbreekt en in de jaren na Japans capitulatie wil Nederland de wezen niet meer. In 1952 adviseerde een ambtelijke commissie de Nederlandse regering om zoveel mogelijk kinderen van Nederlands-Indische afkomst in Indonesië te laten. ‘Kinderen van Indische Nederlanders zijn van een tropisch land met een daaraan inherent verbonden laag arbeidstempo, specifieke oosterse eigenschappen en gedragingen. De kans dat ze zouden zakken tot aan de onderste lagen van de Nederlandse samenleving is te groot,’ zegt het document.

Geen wonder dat de generaties die mijn vriendin en mij voorgingen zo vreselijk hun best deden om zich aan te passen en zo vurig probeerden te bewijzen dat ze Nederlanders waren. Ze waren de afgewezen en verwaarloosde kinderen van een hardvochtige, onverschillige en denigrerende vader.

indos-ga-weg

Verboden afstamming

Huwelijken tussen blanke Hollanders en inlanders waren verboden, maar toch waren er aan het begin van de repatriëring zo’n 500.000 bastaardkinderen die hun koloniale ouders trouw dienden in leger en politie. Lees die zin nog eens over en laat de paradox tot je doordringen. En vraag je dan eens af wat dat vervolgens doet met je culturele identiteit. De donkere inlandse ouders bij wie deze kinderen werden weggehouden, werden door het streng gereformeerde koloniale bewind afgeschilderd als liederlijk en lichtzinnig, ze waren de verleiders en verleidsters van hun rechtschapen blanke ouders. Die roep echode door tot in talloze kringen en tot ver in de toekomst. Toen mijn moeder haar Chinese vader vertelde dat ze verliefd was op een Indo waarschuwde hij haar met het woord lichtzinnig. Is het dan verbazingwekkend dat veel Indo’s ook dit stempel internaliseerden?

Eén van de eerste boeken die ik las over de Indische geschiedenis was De Stille Kracht van Louis Couperus, dat het meeste aansluiting bij mijn persoonlijke geschiedenis leek te hebben. Of ik de gelijknamige televisiefilm eerder of later zag weet ik niet meer, maar vooral de rol van Willem Nijholt bleef me bij. De Indische bastaardzoon van de resident die bij hen in huis leeft en zijn verveelde stiefmoeder verleidt. Dat Indische meisjes ook toen ik jong was nog bekendstonden als behaagziek, lichtzinnig (daar is het woord weer) en seksueel promiscue zou ik kort daarop leren. Als Indisch meisje op de nog altijd streng gereformeerde Veluwe zou ik daar niet aan kunnen ontsnappen. En als ik naar mijn Indische familie in Den Haag keek - vol onduidelijke familieverbanden en nog schimmiger afstammingen waar angstvallig over gezwegen werd, iedereen was altijd oom of tante, zelfs al was niet zeker of je wel echt familie was - hoe kon ik daar dan een zinnig antwoord op geven? Alle andere Indo’s van mijn leeftijd die ik kende, hadden die antwoorden ook niet. In hun eigen families werd ook niet over zulke dingen gesproken.

Ik ben nu 46 jaar, mijn nog steeds zeer vitale vader is inmiddels de zeventig gepasseerd. Van mijn moeders Chinees-Oostenrijkse familie weet ik alles, die van mijn Indische vader zit vol gaten. Voor het grootste deel van die 46 jaar heb ik geaccepteerd dat mijn culturele identiteit uit etnische labels bestaat. Er is de Chinese avontuurlijkheid en de Oostenrijkse depressie, de Hongaarse haargroei en de Indische behaagzucht. Ik weet inmiddels hoezeer ik de labels geïnternaliseerd heb. Maar alleen van de Indische weet ik niet hoe ze ontstaan zijn. Lang heb ik gedacht dat ik het niet hoefde te weten, misschien niet wilde weten, maar dat was voordat ik er een essay voor LOVER over schreef. Ik weet echter óók dat mijn vader ernaar vragen nooit genoeg zal zijn. Als alle Indo’s van mijn generatie het aan hún ouders zouden vragen zal dat nog niet genoeg zijn. Daarvoor zijn er simpelweg te veel vragen, te veel gaten.

De enige partij die ons de hele waarheid kan geven, is de Nederlandse regering. Daarom besluit ik dit vervolg maar met een oproep. Een oproep aan premier Rutte en het land dat hij vertegenwoordigt. Erken ons, Nederland, je kinderen van het koloniale verleden, je afstammelingen uit dezelfde relaties die je destijds verboden verklaarde, maar waarvan je de kinderen toch als machtsmiddel hebt ingezet, totdat we ons nut voor je verloren. Neem de verantwoordelijkheid voor ons bestaan. We hebben recht om te weten wie we zijn.        

Uw reactie

Uw reactie

H.C. van der Veen

donderdag 20 aug 2015 15:00

Ik maak wel bezwaar tegen de polemische stijl en het nadrukkelijk gebruik van krachttermen als 'bastaardkinderen', eerlijk gezegd weet ik niet of dat wel een doel dient. Dat van het 'koloniale overheersen' vind ik ook nogal gechargeerd. Los van dat de elites van beide landen altijd corrupt zijn geweest en dat altijd zullen blijven. Ik weet niet beter dan dat ik van moederskant voortkom uit een reeks huwelijken met steeds vaders uit Nederland / Noord West Europa, maar ik heb me gelukkig weten te bevrijden daar al te zwart wit over te denken. Er is geen ideale liefde, er is geen vast omlijnde identiteit of nationale identitei voor mij; me beklagen over onrecht eerdere generaties aangedaan, plaatst me alleen in een positie van onmacht en ik hoef geen bedelnap omdat zoiets me bevestigen zou in een onderdanigheid. Ik ben geen onderdaan, ik erken geen koningschap en leef onder niemands juk. Waar ik dat wel zo ervaar bijt ik overigens wel van me af!