Mannen zonder lichaam

Niels Vonberg • 6 mrt 2011

Het debat over vrouwelijkheid en mannelijkheid was bijna altijd een vrouwenzaak. Met opiniemakers en auteurs als Arie Boomsma, Stephan Sanders en Dylan van Rijsbergen lijkt daar verandering in te zijn gekomen. Stuk voor stuk mannen die hun mannelijkheid niet meer als vanzelfsprekend zien. Toch mist er iets in dit denken over man-zijn in de eenentwintigste eeuw, stelt Niels Vonberg, en wel het besef dat er aan het mannelijke lichaam betekenissen kleven.

Wie is toch die man die ‘s zondags het vlees komt snijden? Als het aan de huidige generatie mannen ligt, is dit beeld van vaders zo snel mogelijk verdwenen. Tegenwoordig is de opvoeding van kinderen een gedeelde zorg: van de vrouw én de man. In het afgelopen zomernummer van LOVER pleitte Dylan van Rijsbergen dan ook voor meer schouderklopjes aan de huidige generatie vaders. En niet alleen vaders, maar ook mannen in het algemeen lijken zelfbewuster om te gaan met hun mannelijkheid. Althans, dat beeld doemt op uit het boek De man en zijn lichaam (2010) van Stephan Sanders en Arie Boomsma. Maar is hun kijk op mannen eigenlijk wel zo vernieuwend?
Het debat over mannenemancipatie vindt in een verwarrende context plaats. Mannen spreken elkaar aan op hun mannelijkheid, maar hebben tegelijkertijd geen flauw benul wat die mannelijkheid dan zou moeten inhouden. Exemplarisch hiervoor is het boek van Sanders en Boomsma. Zij zijn op zoek naar de manier waarop mannen over hun lichaam denken en hebben hiervoor verschillende (bekende) Nederlandse mannen geïnterviewd. Maar de geïnterviewden bespreken het mannelijk lichaam als een begrip waar ze nog nooit in hun leven over hebben hoeven na te denken. Man-zijn is in dit boek een vaag concept, een idee dat zich in het hoofd afspeelt en ook op die manier benaderd wordt. Het is geen lichaam dat een gebeurtenis genereert en vervolgens in woorden kan worden uitgedrukt. Vrijwel alle geïnterviewden vervallen dan ook in een autobiografisch verhaal waarin het mannelijk lichaam de grote afwezige is. Wat verteld wordt, is wat de mannen doen, wat ze ondernemen en hoe ze werk met kinderen combineren. Wat voor betekenis de man met zijn lichamelijke gedragingen en uiterlijk oproept bij anderen, komt bij geen van de geïnterviewden naar voren.

GETRIMDE BAARD
Ook in het openingsinterview met Orhan Bucakli, waarin nadrukkelijk zijn homoseksualiteit wordt besproken, blijft het onduidelijk hoe het lichaam een rol speelt. Bucakli voldoet met zijn gespierde uiterlijk en baard aan het stereotype beeld van een ‘mannelijke’ man. Dit wordt echter niet geproblematiseerd. Dat terwijl in dit interview juist aandacht gegeven wordt aan antihomogeweld, waarvoor de daders vaak als reden opgeven dat de mannen zich ‘als een wijf gedragen’. Bucakli zal door zijn traditionele ‘mannelijke’ uiterlijk minder snel als ‘vrouwelijk’ worden weggezet. Maar nergens vragen de interviewers zich af waarom Buckali zijn lichaam expres met getrimde baard en getrainde spieren in het boek laat zien. Een gemiste kans. Want de vraag wat een uiterlijk over iemands ‘mannelijkheid’ zegt, blijft zo onbeantwoord.
Toegegeven, het is moedig van Boomsma en Sanders om mannelijkheid te bediscussiëren. Maar het is heel verwarrend – helemaal omdat de titel van hun boek anders suggereert – dat zij mannelijkheid loskoppelen van de lichamen van de mannen, hoe die eruitzien, bewegen, lopen en praten. Het zien van mannen als iets dat net zo geconstrueerd wordt als vrouwen, homo’s en niet-westerse identiteiten, als de ‘Ander’ – dat durven de schrijvers blijkbaar niet aan. In De man en zijn lichaam worden kritische vragen over de machtsstructuren die mannen categoriseren, evalueren en sturen – tot man maken – ontweken. Daardoor is er nauwelijks onderscheid te ontdekken tussen het man-zijn en het mens-zijn van de mannen.

COMPUTERNERDS
Wat ik Sanders en Boomsma wel echt moet nageven, is dat zij naar de ervaringen van homoseksuelen hebben gevraagd. Voor het huidige debat over mannelijkheid is een exclusieve heteroseksuele gerichtheid immers kenmerkend. In zowel Van Rijsbergens boek Het onbehagen van de man als het PapaPlus manifest (waarin wordt gepleit voor een kortere werkweek voor vaders) draait het vrijwel alleen om de heteroseksuele man. Op zich is dat niet verbazingwekkend – veel mannen en vaders zijn heteroseksueel – maar andere seksuele identiteiten krijgen geen plek in het debat. Dit verhindert een diepgaandere analyse van mannelijkheid in onze samenleving.
Zo signaleert Van Rijsbergen in het boek Het onbehagen van de man dat het traditionele manbeeld in onze maatschappij aan het veranderen is en dat dit frustraties oplevert bij mannen. Het beeld van de Marlboro-man kan namelijk niet meer nageleefd worden, omdat onze maatschappij om andere kwaliteiten vraagt dan machogedrag, fysieke kracht en viriliteit. Maar tegelijkertijd zijn er maar weinig nieuwe identiteiten om uit te kiezen voor mannen. Mannen worden – net zoals minderheidsgroepen – volgens Van Rijsbergen gestigmatiseerd; ook zij gaan gebukt onder strenge, normaliserende regels over sociaal acceptabel gedrag. Zo worden bijvoorbeeld kleine mannen of computernerds vaak belachelijk gemaakt.
Mannen passen net als vrouwen hun lichamelijk gedrag en uiterlijk aan aan wat onze maatschappij van ze verlangt. Maar het zijn veelal mannen die de hoogste machtsposities bekleden waarin deze normen (onbewust) geconstrueerd worden. Van Rijsbergen wil echter niet dat mannen naar zichzelf wijzen als onderdrukker van andere mannelijke identiteiten; hij wil dat zij hun betekenisgevende en onderdrukte lichaam negeren en zich richten op het onzichtbare begrip ‘mens’. In de slotpassage van Het onbehagen van de man stelt Van Rijsbergen voor dat mannen hun mannelijkheidsideaal overboord moeten gooien en dat zij gewoon de dingen moeten doen die zij willen doen, ongeacht of dat nu als mannelijk of vrouwelijk wordt gezien. Alsof het lichaam, met allerlei kenmerken waaraan toch een betekenis wordt gegeven binnen een gegenderde context, er niet meer toe doet.

VIEZE NICHT
Hoewel het verschil van mannenemancipatie met vrouwenemancipatie juist zit in de verschillende machtsposities van mannen en vrouwen, wordt in het debat over mannenemancipatie continu verwezen naar het feminisme. De mannenemancipatie wordt vaak voorgesteld als de volgende stap in het emancipatieproces of als een logisch gevolg. Deze vergelijking is twijfelachtig. In de ‘tweede feministische golf’ ging het over vrouwen die als vrouw ten opzichte van mannen, werden benadeeld. Een dergelijke vergelijking met mannen gaat niet op. Mannen worden geen mogelijkheden ontzegd om bijvoorbeeld parttime te werken doordat de voorkeur zou worden gegeven aan vrouwelijke deeltijders. Ook worden mannen in het algemeen niet gediscrimineerd door vrouwen.
Anno 2011 hebben we te maken met een ander soort genderdiscriminatie. Mannen worden gediscrimineerd om wát voor man ze zijn, niet omdát ze een man zijn. Denk aan mannen die voor ‘mietje’ worden uitgescholden, omdat ze minder willen werken om meer thuis te zijn of aan mannen die in elkaar worden geslagen, omdat ze een ‘vieze nicht’ zijn. Puntje bij paaltje worden in de praktijk mannelijke (net als vrouwelijke) lichamen via een traditioneel genderperspectief beoordeeld. Want, alle metromannen ten spijt, mannen zijn in onze maatschappij minderwaardig als zij zich als een ‘wijf gedragen’. De mannenemancipatie zou dan ook eerder over het onderscheid macho-mietje moeten gaan. Dáár is nog veel te winnen. Dan maakt het mannenemancipatiedebat deel uit van een breder postfeministisch debat waarin traditionele noties over man-zijn en vrouw-zijn op losse schroeven staan. Daar zou een nieuwe betekenis kunnen worden gegeven aan mannelijkheid, waar vaders, homo’s én feministen baat bij zouden hebben.
Maar de deelnemers aan het huidige mannendebat weten totaal geen raad met andere mannelijke identiteiten, mannelijkheden die niet zo traditioneel mannelijk zijn en in onze maatschappij als vrouwelijk worden verworpen. Mannen worden door hen alleen in relatie besproken tot de vrouw, terwijl de cultuur van mannen onderling nauwelijks aandacht krijgt. De mannelijke identiteiten die echt moeilijke vragen oproepen over de betekenis van het mannelijk lichaam worden bewust of onbewust uitgesloten van het debat. Man-zijn wordt gezien als een concept dat we rationeel moeten benaderen en is in het debat vooral iets dat je doet, niet iets wat je ervaart of waar betekenis aan wordt gegeven door anderen. Op deze manier blijft het onderwerp ‘mannen’ duidelijk herkenbaar, maar wordt de betekenis van het mannelijk lichaam veronachtzaamd. Uiteindelijk stellen Van Rijsbergen, Boomsma en Sanders mannelijkheid zoals dat wordt beleefd in onze huidige maatschappij, niet écht aan de kaak. ‘Echte mannen’ praten kennelijk nog steeds niet over hun lichaam.

Niels Vonberg is redacteur van LOVER.

Illustratie: Edith Kuyvenhoven